Heemstede, Leidsevaartweg 1: ‘De Bulb’

Oorspronkelijke functie Gebouw voor bloembollencultuur
Huidige functie Bedrijfsgebouw
Bouwjaar Circa 1924-1928
Architect J. Zietsma (1893-1962)
Status Rijksmonument 508453

Dit gebouw voor de bloembollencultuur is gebouwd tussen 1924 en 1928, naar ontwerp architect J. Zietsma in een sobere, strakke variant van de Amsterdamse School. Het pand is gelegen aan de Leidsevaartweg, ongeveer 4 kilometer ten zuiden van station Heemstede/Aerdenhout, op de smalle strook grond tussen de Leidsevaart en de spoorlijn. Het is omgeven door een tuin. Het pand is tegenwoordig als bedrijfsgebouw in gebruik.

De bloembollenteelt heeft lange tijd een belangrijke rol gespeeld in Heemstede. Vooral aan het einde van de 19de eeuw was de bloembollencultuur sterk in ontwikkeling. Ook diverse eigenaren van buitenplaatsen hielden zich met deze economische bedrijvigheid bezig. Eén van hen was A.J.E. baron van Ittersum (1845-1922), die onder meer als raadslid en wethouder een belangrijke rol speelde in de Bennebroekse gemeentepolitiek en woonde op het Huis te Bijweg. In 1855 was hij de oprichter van de Maatschappij voor Bloembollencultuur, die in het buitenland bekend stond als The General Bulb Company. Van deze maatschappij was Van Ittersum jarenlang directeur, later met E.A. Barnaart als mededirecteur. De naam van het bedrijf werd na verloop van tijd gewijzigd in N.V. Hollandsche Cultuur Maatschappij te Bennebroek.

In 1924 kreeg architect J. Zietsma de opdracht een prestigieus bloembollengebouw te ontwerpen. De directie hoopte daarmee het aanzien van het bedrijf te vergroten. Hoewel het gebouw een tijd lang – tot de bouw van Hageveld – het grootste van Heemstede was, noemden de inwoners van Heemstede het gebouw eenvoudig de Bulb of de Bollenschuur. De bouwkosten waren zo hoog, dat de Hollandsche Cultuur Maatschappij er in 1930 aan failliet ging. Het pand werd overgenomen door de Hollandsch Zweedsche Zaad Maatschappij. Tegenwoordig zijn er diverse kantoren gevestigd. Het gebouw is ontworpen in een strakke variant van de Amsterdamse School, die wel (Nieuwe) Haagse School wordt genoemd.

Bouwkundige beschrijving

Het pand heeft een langgerekte, rechthoekige plattegrond en heeft in het midden een gedeelte dat aan voor- en achterzijde iets uitsteekt en hoger is opgetrokken. Het hele gebouw is in blokken van verschillende hoogte verdeeld, die elk een eigen functie hebben. De voorgevel heeft een representatief voorkomen, terwijl de achterzijde meer het bedrijfsdeel is. In het midden van het complex bevindt zich aan de voorzijde (oost) een trappenhuisblok dat zich naar achteren verbreedt in een voormalig directie- en kantoorgedeelte. Aan de achterzijde bevindt zich op de verdieping de voormalige directiekamer, die in 1935 tot woning is verbouwd. Deze kamer met aansluitend terras keek over de spoorlijn uit op de bollenvelden die eigendom waren van de Hollandsche Cultuur Maatschappij. De twee vleugels die op het centrale kantoor- en trappenhuisblok aansluiten, zijn onderverdeeld in een pakplaatsblok ter weerszijden van het trappenhuis en droogruimtes ter weerszijden van het directie-kantoorgedeelte. De droogruimten hebben langs de zijkanten een arcade.

Het complex is opgetrokken met behulp van een ijzeren constructie, die bestaat uit een geraamte van kolommen met hoofdliggers en gordingen. De muren zijn gemetseld in bruine baksteen in kettingverband, waarbij op verschillende plaatsen siermetselwerk is aangebracht. De voorgevel van het centrale trappenhuis heeft op de begane grond een brede rondboogportiek en op de verdieping vijf smalle, hoge vensters. Oorspronkelijk hadden de vensters van het pand stalen kozijnen, maar die zijn deels door houten exemplaren vervangen. De platte daken hebben een hoge borstwering met natuurstenen lijst. Sinds 1957 zijn op diverse plaatsen verbouwingen uitgevoerd, waardoor de oorspronkelijke symmetrie niet meer geheel intact is. Vooral de rechter zijvleugel is verbouwd.

Evenals het gebouw was de tuin ook geheel symmetrisch van opzet. De tuin was zeer belangrijk in het ontwerp als functieaanduiding voor dit gebouw voor de bloembollencultuur. Van de oorspronkelijke tuinaanleg zijn, met name aan de oost- en zuidzijde, belangrijke delen bewaard gebleven. Het terrein aan de Leidsevaartweg is voorzien van een bakstenen omheining, die in 1926 ook door Zietsma is ontworpen. De hoofdingang wordt gemarkeerd door vier grote bakstenen pijlers met siermetselwerk en bloembakken. Op het muurwerk bevindt zich tegenwoordig een ijzeren hek en enkele doorgangen zijn dichtgezet.

Rijksmonument

Het gebouw is van architectuurhistorische betekenis als representatief voorbeeld van baksteenarchitectuur uit de jaren twintig van de 20ste eeuw, ook wel strakke variant of tweede generatie van de Amsterdamse School genoemd. Het is een zeldzaam voorbeeld van de toepassing van een dergelijke architectuur bij een bloembollengebouw, waarbij deze vormgeving is bedoeld om de welstand van het bedrijf tot uitdrukking te brengen. Het gebouw valt op door de grotendeels gave hoofdvorm en detaillering. Verder is het complex van cultuurhistorische betekenis voor de geschiedenis van handel en industrie in Nederland, in dit geval de bloembollenteelt in Zuid-Kennemerland, waarbij een voor die tijd zeer moderne bedrijfsvoering werd toegepast.

Naar boven