Heemstede, Herenweg 5: Hartekamp (tuin- en parkaanleg)

Oorspronkelijke functie Tuin en park
Huidige functie Tuin en park
Bouwjaar Vanaf 1693
Architect Deels onbekend, J.D. Zocher (rond 1805), J.D. Zocher jr. (rond 1820), L.A. Springer (oprijlaan, 1902), H.A.C. Poortman (tuin, 1909)
Status Rijksmonument 515653

Het complex van de historische buitenplaats de Hartekamp is gelegen aan beide zijden van de Herenweg. Langs het oudste terrein, waarop zich het huis bevindt, ligt aan de zuidzijde nog de oorspronkelijke grenssloot, vanaf de Herenweg tot aan de Leidsevaart. Aan de westzijde bepaalt de Leidsevaart grotendeels de grens. Aan de noordzijde liggen Huis te Manpad en het afgesplitste Haag en Duin. De Binnenweg bepaalt de grens aan de oostzijde. De Overtuin heeft aan de zuidzijde nog de oorspronkelijke grenssloten.

Op de plek van de latere buitenplaats lag in de 16de eeuw een boerenhofstede met de naam Thorenvliet, die in bezit was van de Haarlemse familie Van Berkenrode. Van 1662 tot 1666 was de Amsterdamse koopman Hendrik Zeegersz van de Camp eigenaar. Hij veranderde de naam in Hartencamp, volgens overlevering een verwijzing naar de herten die er leefden en naar zijn eigen achternaam (Camp). Camp breidde zijn bezit uit door grond van Adriaan Pauw te kopen. Stiefzoon Gilles erfde de boerderij en het land, maar kon de schulden niet aflossen en verkocht het bezit daarom in 1680 aan zijn zwager, de dichter Jacobus Heiblocq, die tot 1687 eigenaar was.

De geschiedenis van de Hartekamp als buitenplaats begint in 1693. In dat jaar werd Johan Hinlopen, die zijn fortuin had verdiend als postmeester van het Antwerps Postcomptoir, eigenaar. De Leidsevaart, een belangrijke schakel in die postroute, begrensde de achterzijde van het complex. Hinlopen gaf opdracht voor de bouw van een nieuw huis en de aanleg van een tuin. In 1709 kwam de Hartekamp in het bezit van de Engelse bankier George Clifford sr. Deze breidde zijn bezit uit met een stuk grond ten oosten van de Herenweg, tot aan de Binnenweg. Op een hoge duintop liet hij een speelhuis bouwen, in het verlengde van de hoofdas van de Hartekamp. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft hier nog een huisje gestaan (dat thans in moderne vorm is teruggekeerd).

Cliffords zoon George jr., die in 1727 eigenaar werd, maakte de Hartekamp tot een van de belangrijkste tuinen van Europa in die tijd. Hij was een tuin- en plantenliefhebber en wist Carolus Linnaeus van 1735-1738 naar de Hartekamp te halen. Linnaeus breidde de botanische collectie uit en publiceerde in die tijd zijn Hortus Cliffortianus. Clifford jr. vergrootte het gebied van de overtuin met onder andere moestuinen, een amfitheater en een Parnassusberg te midden van een doolhof. Ook het park om het huis werd gemoderniseerd. Het voorplein werd deels vernieuwd, de grote plantvakken werden opnieuw ingericht en er werd ook hier een doolhof aangelegd. Het ontwerp is bekend van een door Springer gemaakte kopie. Naar wordt aangenomen, was Clifford zelf de ontwerper.

Vrij snel na het vertrek van Linnaeus begonnen de tuinen al achteruit te gaan. Tussen 1788 en 1815 wisselde de Hartekamp vijfmaal van eigenaar. J.C. Meijer, eigenaar van 1803 tot 1809, schakelde J.D. Zocher sr. in voor een wijziging in landschappelijke stijl. Tegelijkertijd verkocht jij delen van het terrein. In 1815 werd Matheus Brants eigenaar. De Hartekamp bleef tot 1901 in het bezit van de familie Brants, later Verschuer-Brants. Matheus Brants vergrootte de bezittingen door de aankoop van weilanden tussen de Hartekamp en het Huis te Manpad. Op dit nieuwe grondgebied werd door J.D. Zocher jr. een aanleg verzorgd. Ook vergrootte hij het terrein van de overtuin.

Na het overlijden van het echtpaar Verschuer-Brants werden de bezittingen geveild. Voor korte tijd was de Binnenlandse Exploitatie Maatschappij eigenaar. Zij liet de overtuin verkavelen. Hierop werden aan de noordzijde de landhuizen Eikenrode en Haag en Duin gebouwd. Het resterende, zuidelijke deel van de Overtuin is tegenwoordig in gebruik als openbaar wandelpark. Op het grondgebied ten zuiden hiervan, dat oorspronkelijk ook tot de Hartekamp behoorde, ligt de speeltuin Linnaeushof.

In 1902 kocht W. de Ridder het huis met een deel van de gronden. Hij liet het huis vergroten door aan de zijgevels uitbouwen te plaatsen naar ontwerp van de architect J.A.G. van de Steur. L. Springer ontwierp een oprit bij de nieuwe vleugels. In 1909 werd door H.A.C. Poortman de witte betonnen pergola bij de oranjerie gebouwd. Ook ontwierp hij de tuin daarvoor en links naast het huis een inmiddels verdwenen rosarium, in aansluiting bij het vanuit Amsterdam overgebrachte 18de-eeuwse tuinhuis. Het huis werd nogmaals vergroot gedurende de laatste periode van particuliere bewoning (1921-1952) door mevrouw Catalina von Pannwitz-Roth. De verbouwing en uitbreiding, nodig om plaats te bieden aan haar kunstcollectie, werd ontworpen door architect H.C. Berchtenbreiter.

In 1952 werd het huis met de grond verkocht aan de Vereniging der Broeders Penitenten, die er een inrichting voor zwakzinnige jongens vestigden. Aanvankelijk werden deze jongens ondergebracht in het hoofdgebouw, later in paviljoens. De buitenplaats biedt nog steeds huisvesting voor verstandelijk gehandicapten. Ten behoeve hiervan zijn in het park talrijke voorzieningen voor wonen en recreatie verrezen.

Beschrijving

De tuin en parkaanleg van de historische buitenplaats de Hartekamp is te verdelen in het gedeelte rond het hoofdgebouw (westzijde van de Herenweg) en de overtuin (oostzijde van de Herenweg). De aanleg ten westen van de Herenweg vertoont een tweetal hoofdelementen: het monumentale open voorterrein met daarin de rondgaande toegangslaan, aangelegd door tuinarchitect L. Springer, en het door tuinarchitect J.D. Zocher sr. in landschappelijke stijl aangelegde deel achter het huis, waarin de grote cirkelvormige vijver het bindend element vormt. Hierbinnen liggen restanten van de 17de- en 18de-eeuwse aanleg en een drietal kleinere deeltuinen uit het begin van de 20ste eeuw. Van de oorspronkelijk 17de-eeuwse aanleg van de buitenplaats resteert de zuidgrens met de grenssloten. In het zuidwesten hiervan is een verhoging zichtbaar. Dit is het restant van de 18de-eeuwse heuvel, die hier was aangelegd om het doolhof te kunnen overzien. Recent is de zichtas van het huis naar de Leidsevaart weer opengelegd. Het voorterrein, mogelijk ook door Zocher in landschappelijke stijl getransformeerd, vertoont een open karakter met een weids grasveld, waarin langs de randen enkele boomgroepen en solitairen staan. De oprijlaan, door Springer in 1902 aangepast aan de nieuwe vleugels van het huis, vertoont de vorm van een halve ellips met aan beide zijden een identieke hekpartij.

Het park achter het huis is aangelegd rond de grote cirkelvormige slingervijver. In het midden hiervan ligt een eiland, dat aan de westzijde via een bruggetje toegankelijk is. Rond de vijver ligt een stelsel van slingerpaden.

Door het gehele park, voor en achterzijde, zijn veel oude bomen te vinden, waaronder eiken, linden en platanen. Voorts is er een drietal kleinere deeltuinen, waarvan er twee door tuinarchitect H.A.C. Poortman zijn aangelegd. In 1909 werd even ten noordwesten van het huis de pergola gebouwd en werd dit deel in samenhang met de oranjerie opnieuw ingericht. Het bestaat uit een rechthoekig gazon, omgeven door een wandelpad en ingedeeld met enkele halfronde taxushagen. Een tweede door Poortman aangelegde tuin bevindt zich direct ten zuiden naast het huis. De oorspronkelijke aanleg met een rosarium is verdwenen, maar de door een haag omgeven tuin is nog goed herkenbaar. De derde, vermoedelijk in de jaren dertig van de 20ste eeuw aangelegde tuin, ligt ten noorden van de slingervijver. Die bestaat uit een kleinschalige aanleg met een gevarieerde heesterbeplanting. Het oostelijk deel heeft een aaneengesloten beplanting waartussen enkele smalle kronkelpaden met flagstones lopen, met rotsblokken en een zitje erlangs. In het westelijk deel ligt een verdiept rechthoekig grasveld, omgeven door een muurtje van flagstones.

De parkaanleg ten oosten van de Herenweg, de Overtuin, bestaat landschappelijk gezien uit twee delen: het noordelijke, sterk geaccidenteerde en beboste deel, en het zuidelijke, lager gelegen vlakke deel met enkele open ruimtes. In dit lage deel waren ook de moestuinen te vinden. In beide delen zijn nog sporen aanwezig van de 18de-eeuwse aanleg binnen het latere, verlandschappelijkte park. In de eerste plaats is de oudste aanleg van de hoge heuvel, waarop oorspronkelijk het tuinhuis of de koepel stond, nog aanwezig. Van de aanleg uit de tijd van Clifford (1709-1788) zijn de Parnassusberg, het halfronde amfitheater, de kwartronde verhoogde vorm ter bescherming van de moestuinen in het zuidwesten en de twee gemetselde poortjes die de moestuin markeerden nog herkenbaar.

Voor de losse objecten in de tuin en het park: zie Heemstede, Herenweg 5, Hartekamp: losse elementen.

Rijksmonument

De historische park- en tuinaanleg van Hartekamp is van belang vanwege de betekenis van de aanleg voor de historie van de tuinarchitectuur en historische botanie, vanwege de landschappelijke aanleg met daarin nog herkenbare oudere formele elementen, vanwege zijn plaats in het werk van J.D. Zocher sr. en jr., vanwege het werk van de tuinarchitecten L. Springer en H.A.C. Poortman en vanwege de functioneel-ruimtelijke samenhang met de andere onderdelen van de buitenplaats.

Naar boven