Heemstede, Achterweg 11: voormalige pastorie

Oorspronkelijke functie Pastorie
Huidige functie Woning
Bouwjaar 1868
Architect Onbekend
Status Rijksmonument 508449

De Oude Kerk is in 1625 gebouwd op de resten van een uit de 14de eeuw daterende Mariakapel, die in 1573 vermoedelijk door de watergeuzen is verwoest. Deze kapel was gesticht ter nagedachtenis aan graaf Willem IV, die tijdens de Slag bij Warns op 26 september 1345 was omgekomen. Opdrachtgever voor de nieuwe, protestantse kerk was Adriaan Pauw, een koopman en regent uit Amsterdam (later raadspensionaris) en ambachtsheer van Heemstede.

Ten westen van de kerk werden een pastorie en kosterswoning gebouwd. De kosterswoning deed tevens dienst als school. Beide panden stonden op percelen die in leen werden gehouden van de Staten van Holland. De eerste predikant in Heemstede werd Martinus Bruno, die eerder beroepen en bevestigd was in Middelie, Kwadijk en Hobrede.

Omstreeks 1756 was de pastorie zo bouwvallig geworden dat dicht bij het pand een nieuwe werd gebouwd. Op 1 oktober 1840 werd Nicolaas Beets, schrijver van de Camera Obscura, hier als predikant bevestigd. Beets nam op 28 mei 1854 afscheid om naar Utrecht te vertrekken, waar hij hoogleraar werd. De eerste druk van de Camera Obscura verscheen in 1839, juist voor zijn komst naar Heemstede. Tijdens zijn verblijf in deze plaats werden in de derde druk nieuwe verhalen opgenomen, waaronder вАШDe familie KeggeвАЩ. Deze zijn mogelijk in de toenmalige pastorie geschreven.

In 1868 werd de pastorie opnieuw vervangen. Nog in hetzelfde jaar werd het oude pand gesloopt. De nieuwe statige villa, ten zuiden van de Oude Kerk, heeft tot 1951 als pastorie gefungeerd.

Bouwkundige beschrijving

Het gebouw is opgetrokken in classicistische Italianiserende trant. Met name de rondboogvensters in het middenrisaliet zijn ontleend aan Italiaanse quattrocento-architectuur, die in de eerste helft van de 19de eeuw in Duitsland door K.F. Schinkel en in Engeland door J. Nash als inspiratiebron voor villabouw was geïntroduceerd.

De villa is gebouwd op een rechthoekige plattegrond en heeft een middenrisaliet aan de voor- en achterzijde, en is later (onder meer in 1894) aan de achterzijde van uitbouwen voorzien. Het pand is opgetrokken uit witgepleisterde baksteen met hoekpilasters, grijs geverfde plint en omlopende cordonlijst onder de vensters van de verdieping. Het pleisterwerk is voorzien van groeven ter imitatie van zandsteenblokken. Het pand bestaat uit twee bouwlagen onder een zadeldak met overstek. Dit dak heeft de nok evenwijdig aan de weg. Het met pannen gedekte dak heeft rondom een gootlijst. De voorgevel (zuidoost) is symmetrisch ingedeeld. Het middenrisaliet bevat op de begane grond een dubbele deur met stoep en bovenlicht. In beide deuren bevindt zich een venster met gietijzeren sierrooster, bekroond door een fronton. Het middenrisaliet doorsnijdt de kroonlijst en eindigt in een Vlaamse gevel onder een zadeldak. In de dakkapel zit een rondboogvenster met een bovenlicht met roedenverdeling in de vorm van een driepas. Onder dit venster is ter hoogte van de daklijst, over de gehele breedte van het middenrisaliet, in stuc een fries met tandlijst aangebracht. Alle vensters in de voorgevel zijn voorzien van schuiframen en blinden.

Rond het huis ligt een tuin, met aan de voorzijde een gietijzeren hek langs de Achterweg. Twee openingen in dit hek geven toegang tot een gebogen oprit die naar de voordeur leidt. Deze doorgangen worden gemarkeerd door twee vierkante bakstenen kolommen, wit gepleisterd met horizontale groeven en grijsgeverfde piramidevormige afsluiting. Aan de zuidwest zijde wordt de tuin van het naastgelegen perceel gescheiden door een bakstenen muur, die waarschijnlijk uit de 17de eeuw dateert. In 1883 is ten westen van het huis (linksachter) een schuurtje toegevoegd en in 1983 is aan de noordoostzijde een tennisbaan aangelegd. In de voortuin staat een gietijzeren lantaarnpaal uit het einde van de 19de eeuw, die vroeger voor het huis langs de Achterweg heeft gestaan.

Rijksmonument

De villa is van architectuurhistorische betekenis als representatief en tamelijk zeldzaam geworden voorbeeld van villabouw uit het derde kwart van de 19de eeuw in classicistische Italianiserende stijl en vanwege de gave hoofdvorm en detaillering. Het pand is van cultuurhistorische waarde als element uit de geschiedenis van het wonen in Nederland, in het bijzonder in Zuid-Kennemerland, waar in de tweede helft van de 19de eeuw de villabouw intensief tot ontwikkeling kwam.

Naar boven